De dominee veegt wat zweetdruppels van het voorhoofd. De overweging van de dienst 'geloof, hoop en liefde' zit er op. Statig richt hij zich tot de 25 aanwezigen. ,,Laten we een kaarsje branden voor hen die we missen.''

Het is half 11 in de ochtend als vijf militairen naar voren lopen, elk een waxinelichtje aansteken en die in het rode kerkje op het tafeltje zetten. Het godshuis is gemaakt van afvalhout, uit de wanden zijn grote bogen gezaagd, het dak is opgetrokken uit geknipte stukjes lood. De vlammetjes van de waxinelichtjes worden door het houten bouwwerkje beschermd tegen de droge Sahara-wind.

Blog Article Figure

Even verderop zit korporaal Ferdinand Nicolai in een van de kleurige stoeltjes. Hij wrijft over zijn T-shirt en slaat zijn blote benen – hij draagt een korte broek en klompen – over elkaar. Nicolai brandt deze zondag 8 februari geen kaarsje. Waarom zou hij? Hij is geen gelovig mens. Maar hier, vijfduizend kilometer van huis, in de brandende hitte, luistert hij wel graag naar de teksten over hoop en liefde. De dominee predikt het Onze Vader en leest dan een gedicht voor.

Als ik mij kan uitdrukken, in iedere denkbare taal
En ik daarmee zou proberen te zeggen wat ik werkelijk bedoel
Dan nog kom ik zoveel tekort om je echt te zeggen, wat ik voor je voel.


Als de laatste drie zinnen worden uitgesproken, lift de dan 32-jarige Nicolai, de bonkige stoere militair met kaal hoofd en zwarte wenkbrauwen, zijn hoofd wat op. Het is zijn 81e missiedag in Mali. Ferdinand Nicolai mist zijn vrouw. Zijn kinderen.